20140527

Heengeborgen

Zij slaperigden, de huisvesten,
Al meer dan wij - de resten -
Bloe'rige bla'ren, verzocht, verzwakt,
Langst dan and'ren aangetakt,
Tot tot slot al 't sap verbrast
De balg de halm alsnog verpatst.
Nog voor het opperst gloren,
Eer dan bonter hoog geboren
Jankten wij van beter weten wezen:
Niet hier, thuis, of niet hier thuis te wezen.

De wolvenmoeder wenkt wit door de fles:
Wals zwalpend, dans blootszools over 't mes;
Kom, hoeren, hoeders, honden, halverwegen,
Klinkers in straten, stervers in stegen.

De fiets na friet en fiedel
Piept schriel nog een riedel

Heengeborgen.

20140525

Kwak

Als kleurig hemelwaarts buskruit
Zal er een knal geweest zijn.
Veren vallen sportpaleizig wanneer
De band de bende blauw van sokken blaast
Goud zingt hij en zeker zo gevooisd
Of rood en met zweep in de stem.

Een wolk glitter in gepast getint licht
Drijft op concertthermiek en de massa
Tot uitzin waar ze voor betaalden.
Professioneel enthousiasme dus we doen mee.

Een aangereden eend is
Tenminste authentiek.

20140520

Wie is het langs de wegen

Is het een vrouw?
 - Dat zou te gemakkelijk geweest zijn.
Uit het centrum, wellicht?
 - Wel, zeker niet erin, maar als allen langzaam onderweg.
Niet dus?
 - Neen.
Maant hij misschien tot een keuze voor twee aan?
 - Jazeker
Zonder vingers?
 - Nee - sterk!
Baard?
 - No.
Bart?
 - Maar nee.
Bracke?
 - Evenmin gelukkig. klik>

Allitereert de man dan?
 -
Zeker?

Dan wordt zijn luminescente as later over koeltorens verstrooid.
Niemand meer dan Jambon Jan.

20140518

Plastic Flessengeluk

Wegwerphandschoenblauw vertoef ik in een hoek.
Uit het zicht - niemand wil me
Laten zien
Laat staan
Bekijken.

Ik besta voor wedergeboortes
Dus het regelmatig opknopen is een
Eer, ik geef me gans
Tot recyclage van de zonden.

Zet me aan de deur
Overal-engelen halen me op,
Dragen me ten hemel die rolt - plet me.
Gelaten krimp ik de straat uit.

Als een geliefde draag ik
De mindere momenten
In ruil voor het vangen van je blikken.

20140515

Paljas of Jezus

Blaaskaak hoor je vaker, raad ik,
Daarmee maak je koper goud
In veertien  bandjes of op straat, ik
Ben wel eens omver geblowd.

Geen blad kan je mond verstillen
Want je AD tot de HD waakt.
Nooit bang voor blote billen,
Want al wie je stoomtrein pootje haakt

Met gelijk bied jij een pint aan.
Luistert even enthousiast
Verdedigt net zo hevig na het huisgaan
De nieuwe wetenschap rotsvast.

Ongehinderd deel je complimenten uit
En liefde. Omzeilt regeltjes handig.
Een Antwerps mirakel; ik besluit:
Luidruchtig, idealistisch, hartelijk, verstandig.

20140513

Van wie ging

Vol echoot Gent je weg
Elke welving is je boezem
Hoe ze - aziaten - fotograferen
Waarderend blikken heren als zo vaak
Naar wat je raak te dragen vond
Ik stond te dromen van je
Des te meer gemist.

Hier kochten we nog lachten
Samen wachten op tram 1 komt nu net
Ik proef brunette ook al lonkt een blondje
Dat hondje wil je niet
De fiets kijft iets te vaak de wagen
Dagen van me heen nog
Des te meer gemist.

Dat rokje zou je stralend van je heupen schuiven
Duiven vliegen op je droomvermogen
Je ogen schoten voor me bij
Wij konden in dat steegje was je hier
Je viert nu verderop het leven
Des te meer gemist

Wat de bakker maakte smaakte naar je
Haar; de markt lacht honderd meisjes met je stem
Zon zendt zoete wijn mijn kant uit van de bergen
Nergens kom je geen bekenden tegen
Gezegend zijt gij overal
Des te meer gemist.

20140511

Ze

Ze houdt wel van de grond
Beweert ze, want daar aardt ze
Waar ze net met beide benen stond
Ligt ze nu languit en paart ze

Ik groei horens op haar grond
En op mijn vraag onthaart ze
Waar 'k daarna mijn mond
Laaf tot ze 't komen klaart, ze

Hijgt volmaakt, plaatst lippen rond
Mijn hart, ze blust en brandt mijn lont,
Door bed of laken ongehinderd spaart ze

Ook mijn adem niet, ze zond
Mij likkebaardend van de grond,
Grijnst; ik wil nog een keer, verklaart ze.

20140510

To hell, ye of little faith!

Ik zou je beschreven hebben, 'k liet 't,
Aangesproken, belicht.
De afloop zat vol haar, het hoort niet
Rijmen over gedicht.

Kijken ook, slechts observeren,
Beschrijven, woorden voegen
Naar de waarheid, het beweren
Noemt men onvoldoend genoegen.

Onbetrokken ben ik, regelloos,
Vrijgebuit, superieur.
Kritiek is als Pandora's doos:
Schatrijk stranden in mineur.

Wijwatervatduivel, ketter,
In weerwil lekker toch poëet
Wendt soms het wezen naar de letter,
Mijn muzen immer goedgekleed.

Een dronk dan op wie 't stellen mag:
Wie klonk, wie stonk, wie maakt de dag?

Roze

Het complex blaakt van industriële gezelligheid
Jaarringen en steunberen
Elektrisch de zon weren
Vogelhuisjes binnenskamers
Het ketelen hier is herrieloos

Rustig efficiënt voeren ze aan
Gecaste schorten bijrollen
In de chloorloze vrije slag om de arm.

De bliksem vlindert me
Knot strak als tegenwind
De inkijk van de hinde onder honderd opgefokte wimpers
Het hindert niet de nacht
Valt vast vol kantelend bekken.

Zing het Frank je bigband kent de wende al
Verfden anderen dan zwart
Trek niks uit
Fluister je
Duister kleedt je
Zuiver je
Huid onder huid over wat hoort voor het koor

Dubbelzinnig als je kleur

20140507

Etaleren

Was je een tomaat dan
Een waarvan het sap gulzige
Meisjeskinnen guitig siert.

Bloed dan in de linker
Ventrikel, klaar om zuurstof
Naar hooggehakte kuiten te voeren.

Als achterlicht was je helder
Verdwijnend: de afscheidskus
Voorbij maar niet minder tastbaar.

Je bordbestaan roept stop gevaar
Verboden, dat jeugd doet
Dansen op de rand en erover.

Maar je hangt
Kleur en pit
Te wezen achter glas.
Straks vang je een dame
En nog later zeker een stel heren.

Blijstje

Maakten alvast mijn dag:

  • De busbestuurder bood me
          Nodeloos voorrang en een glimlach.

  • Korenbloemblauwe kousen
          Om benen in de buurt,
          Met schrijven in gedachten begluurd.

  • Een half uurtje moedige zon
          Net toen ik erin zat

  • En eerder werd ik nauwelijks nat
          Toen 'k door karige druppels naar huis fietsen kon.

  • De gedachte aan je gedachten
          Vannacht - van ik die lach, ten

  • Slotte oogluikend luimen in bad.

Morgenochtend groet ik de dingen.

20140504

De ene van velen

We stromen.
De ogen gegrond,
De lading zwaar aan de schouders -
Vooruit maar voorbij
Het slepen van de dag en nu de benen.

Hydraulische poorten voorbij
Des grijzen Walkürens wagen betreden
We; kom spoor Walhallawaarts.
Een meterslange rode pil naar
De ware wereld vol liefde en thuis
Of toch warmte en TV.
Afstappend, straks,
Stromen we
Geen haar vrolijker - of wijzer:
De kansen van de transit
Doorgaans onderaan de dobbelsteen gepoot.

We stromen.
Grijs en eindig,
Bestemmingen voorbij
In bullet time.

20140502

Ga

Ik los je trosje
Geef propellers zetjes
Schouderklopje hop je moet nu gaan
De wijde wereld wijdt een roep aan
Jou, spint je tot je spint.

Ik voel gegunde rust
Dagen doorduwen ondergaan
Als de zinderende zon in verre landen
En dat eruit je schouders
Ongeroerd massage halen
Deadlines druk en daver eensklaps triviaal.

Ikzelf treed in zeeën van
Geen regels en zelfs deze breek ik
Zoals met onvermoede oude dagen.
Mijn schouders bloeien in het dragen
Als mijn stem die afleidt
Of alternatief voedt
Voor wie nog kleiner velen moet
En dat ik dan volsta, bedaard,
Wetend van het plukken waard.

Wanneer ik voor ik 't weet
Je straks weer armvol welkom heet
Verwacht dan
Maar een ander man
In elk opzicht nog dezelfde
Voor de helft de
Weter van de wil, half verslaafd
Aan jou, gereed om gelaafd
Te worden aan het lijf, het hart, de mond, het hijgen
Overladen met woorden en zalvend zwijgen.

Leef en weer.

20140501

(Sur)vivandum saluto

Ik geef toe dat
De verwijfde gladiator
Beter staat met dat verbogen zwaard.

Ik daag de
Kunstenaar uit om dat
Voor ogen te hebben gehad
Toen de stad
Hem verzocht het park
In ziel en wezen uit te beelden
Hoewel het stervend
Noch stoer noch ontmand
Is; enkel 't leven deelt het met het beeld.

Het trage zien

Die van de felgele uk
Moedert zo sublieme
Zeepbellen,
Lachjes van sop en
Regenboog in de zon,
Dat de bloesemblaadjes
In haar gras
Later pas omheen
Hun knuffels en kraaitjes
Rozig opduiken.