20260307

Hart van Goud

Bedaard op en neer. Adagio, vol aandacht, beheerst, sereen welhaast jou brengen waar je zijn wil. Je vindt ook de knoppen wel en dankbaar laat je je opslokken door het piepende metaal en het zachter kreunende verheffen.


Die stad zal nooit mijn stad zijn. Haar Arische pleinen, haar accent dat naar Vlaamse televisie riekt, haar karrevrachten hippe scharen, haar immobiliëngesjoemel of haar hartelijke haven voor Gazanenhaters zullen wel nooit aan mij besteed raken. In haar straten wil ik dag noch nacht verdwalen. Ik ben echter geen absolutist: ook zij heeft haar pareltjes, zoals de Roma en hier of daar een gestorven zanger.


En op twee straten van die Roma een wanstaltig gebouw: een architect verwarde brutalisme met vulgariteit zodat kwaadaardig lagekwaliteitsbouwstoffen de nochtans goedbedoelde strakke lijnen na jaren van zure regen en bewoners kloven, schaafwonden en generieke wormstekigheid bezorgden. Pokken, roetvlekken, schimmel en kleuren die de vergankelijkheid voorbij walmden, bedolven het voorheen al banale betongrijs tot een abominabele braakplas die ternauwernood het geheel staande kon houden omheen de diepliggende zelden gewassen ramen. De deur leek geïmporteerd uit een tweederangs sciencefictionfilm in het oude Oostblok: troosteloos afgebladderd vaalgroen naast het beige restant van een parlofoon, een toren van uitpuilende deurbelknoppen en lagen aan etiketten met versaagde pogingen tot vrolijke kenbaarmaking boven een vergeelde A4: “bell no working phone” (sic). Onderhoud is voor doetjes en hier dus niet gedaan.


Zelfs met de sleutel die Valska me bezorgde voor mijn maandlange verblijf was het slot een roestige uitdaging, algauw getopt door de onverzettelijkheid van de scharnieren die zelfs het zuchtend opzijzetten van mijn paraplu en cameratas, en de bijhorende hernieuwde inspanning onbetuigd lieten. Gelukkig ontdekte ik snel de achterdeur, die sleutel noch klink vereiste maar me evengoed, zij het ontdaan van elke zweem van veiligheid, naar de hal bracht.


Daar ontdekte ik de parel in de allesbehalve lotusbloem. Een kranige open lift weerstond haar leeftijd, de zwaartekracht en het non-existente servicebudget. Zo verstoken de buitengevels ook waren van minzaam karakter, zo exuberant charmant was de nochtans even door de tand des tijds aangeknabbelde mensenkraan, als een door ingenieurs opgetrokken Audrey Tatou op leeftijd, een filigraan van tanend ijzerwerk. Het toeval wou dat jij, zelf een ballade van een gitzwart carrétje, Sneeuwwitjeslippen en een minstens avontuurlijk kort te noemen rokje onder het neuriën van een deuntje dat ik pas later herkende als “Like a Virgin” nederdaalde in die geduldige kooi. Het nachtegaaltje betrapte me terwijl ik haar teraardebestelling met enige aandacht observeerde, knipoogde terwijl de wat weerspannige poortjes weken, wentelde op kniehoge lakleren laarzen elegant om haar as toen ze me dichterbij dan noodzakelijk passeerde en wierp mijn aangenaam verraste persoon een kushandje toe voor ze verdween door hetzelfde gat van de timmerman als waardoor ik hier gekomen was.


Uit principe koos ik voor de trappen die zich vierkant omheen Audrey wentelden – ik moest immers maar naar de tweede verdieping – maar ik kon het niet laten een blik te werpen in jouw weinig effectieve gevangenis van zo-even. Roest, een verweerde namaakhouten bekleding en een afschuwelijk aftands tapijt vloekten hartsgrondig met de koperen knoppen in schijnbaar perfecte staat, de trouw gepoetste tanden van deze bejaarde. Iemand had zich de vreemde moeite getroost om het bedieningspaneel getaand maar verder smetteloos te houden in de verder toch ook geknakte zenuwbaan van dit gebouw. Met geheven wenkbrauwen en schouders wendde ik me dan maar tot de rood betegelde treden.


Na een eerder korte nachtrust verliet ik mijn al even weinig noemenswaardig als dagverlichte studio en werd opnieuw getrakteerd op jouw verticale passage. Prompt grijnsde je doorheen je werknacht, vond feilloos de bronzen stopknop, zodat het verstommende knarsen en kreunen je stilhield op een hoogte waar ik gemakkelijker je vermoeide groene slipje dan je verheugde gezicht kon bestuderen. Dat lukte me ook al niet omdat je in de slechts in aantal woorden karige uitnodiging ”kom je” zoveel accent wist te leggen dat mijn innerlijke etymoloog even moest bekomen, als na een afgeluisterd gesprek tussen twee Bressiaanders, met hun hemeltergend foute AI-versie van een dialectisch huwelijk tussen mijn West-Vlaamse moeder en Rob De Nys. Jij liet de Schelde vlotjes in het Ij monden langs je eigen mond en sloeg mij zowaar met enige verstomming. Lang genoeg om je je verzoek te laten herhalen alsof ik misschien doof was, waarna ik mijn bewustzijn terugvond in de blik op het smaragden kleinood tussen je benen.


“Ik hoor eigenlijk nu te gaan werken, maar… waar kan ik je vinden?”


“Penthouse” klinkt in geen van beide taaltjes die je mixte als een erg geloofwaardig luxeverblijf, en noch het mixen, noch je sarcastische blik, noch de instant herboren machinerie en bijhorende herrie stuurden die gedachte een andere kant uit. Toch kan ik niet beweren dat het er niet goed was: een kleine twaalf uur later schopte je me met liefde terug de trap af met de boodschap dat je nu terug betaald moest gaan neuken om dat paleis te bekostigen.


De foto’s van jou, zonder smaragd of saffier of robijn over je zacht glanzende huid maar achter de tralies van de lift, likkend aan de bronzen knoppen en liggend op de rode tegels brachten genoeg op om je veertien pedagogische studiedagen en een paar nieuwe laarzen te kopen.

Lift Me Up

Geen opmerkingen: