Je zal deze woorden niet lezen. Ik schrijf ze nochtans, zorgvuldig, handmatig. Eerst hanig gepoot op een zelfgemaakte blocnote van recto gebruikt printpapier. Hoewel ik langer dan digitaal nadacht over elke zin, een woord drie keer proefde vooraleer ik het inktig uitspuwde en zelfs (je zou trots op me zijn) vooraf een idee van de structuur in gedachten had, is de kladversie een nauwelijks nog als tekst te onderscheiden kunstwerk geworden. Een driehondervijfentachtigjarige draak met schimmel. En dan bedoel ik de ingewanden van die draak: wanneer ze je verslindt, is zelfs de weg naar vertering een mottig verlichte dwaaltuin met wiebelige verkeerstekens en andere omwegwijzering die enkel uit de koker van de Vlaamse ambtenarij kan komen. Visueel lijkt het vernuftig: abstract maar helder, vol wijsheid en onvermoede diepgang, direct te herkennen als van de hand van een meester. De zetter echter, hoewel tevens de auteur, zou wel eens zijn lineaal willen testen op de hand van die meester.
Niettemin: zo gaat het. Er zijn woorden die we niet aan bits toevertrouwen. Ideaal vervatten we ze in een enkele blik van verstandhouding. Als dat geen optie is, dan verpakken we ze weloverwogen. In een sprookje, bijvoorbeeld. Die haast verloren gegane kunst van gruwelijkheid en meestal als ongepast geklasseerde lekkernijen vertellen alsof ze doodnormaal zijn - op kindermaat, zelfs - of toch niet vreemder dan een kobold, djinn of betoverde appel. De Grimms en Andersens en Sheherazades van deze wereld gaven magere Hein een hippe switchblade en organiseerden polonaises op het gekreun vanachter het gordijntje: "allemaal"! De wereld plichtgetrouw bij de gewillige neus nemen: het vergt wat versies, verschuiven, verfraaien, verdomme. Finaal ook moet het gewrochte op voren in vruchtbare grond vallen. Daar is papier voor nodig, waar je even aan geroken hebt voor je het koos. Voor een echte pen ben ik helaas te slordig (wolven hebben niet zo veel geduld), dus ik selecteerde een perfect fijn stiftje voor de nette versie. Een milde toegift aan de werkelijkheid, nee? Ik overweeg mijn schrijfsels straks aan de poot van de eerste de beste gouden vogel te binden, of streng kijkend tussen de tanden van een witblauwe vos te schuiven. Die zullen je wellicht niet vinden, maar het is wel een veel leukere gedachte.
Ik kreeg immers ook een brief van jou, en ik huilde. Matilda frommelde iets in mijn hand: "Ceci vient de Léon". Alleen was het dan vijf jaar geleden dat Léon nog op de thee was geweest: een bos vol gehaaste witte konijnen moest blijkbaar dringend ontworteld en toen was er weer een verkeersinfarct van vliegende tapijten, een overrompeling van fata morgana's of fata's morgana of fatae morganae. Druk, druk druk!
Ik slikte, herlas. Herlas. Subtiel ben je nooit geweest. Een helder relaas en aan een intussen vreemdeling, vermoedelijk op Tatooine, een boodschap met veel wanhoop, hopelijk overgebracht door een gouden papegaai en een bliepende, metalen witblauwe vos. Een verzoek. Rebellenprinsessen smeken niet, maar beden kunnen wel. Ik was niet de derde in de rij, zelfs niet de eerste in de rij die in aanmerking kwam: er was, zo bleek, niet eens een rij. Of dan enkel het soort rijen dat wiskundigen als speciaal geval meetellen, omdat de formules dan mooier zijn. Was dit een bevlieging? Stabiel ben je nooit geweest. Maar in het licht van de concreet aanstormende eeuwigheid spon je spinnenwiel goud terwijl je zong dat niemand je naam kent. Ik begreep alvast hoe je rechte een punt was geworden. Met je kenmerkende niet-denigrerende zelfspot schrapte je netjes namen en categoriën (zoals "tegen betaling") tot je concludeerde dat "de eer" mij dus toekwam. Een imbeciel ben je nooit geweest.
Op zestien mei kwam de prins voor een keertje goedgekleed aan je deurtje kloppen. De lichtblauwe dwergen van het lapmiddelendorp stoven toch wat gegeneerd de heuvels in. Je lag niet in een glazen kist, maar enig instrumentarium was niet helemaal te vermijden. En je was alle Disneyprinsessen met een scheutje Jessica Rabbit en een royale schep Helen Mirren. We hadden het niet over brieven of over wat voorafging of wat zou volgen, behalve dat de vrolijk betoverde appel die je had gegeten ons ongeveer twee uur respijt zou moeten geven. Je bloosde toen ik je kuste. Ik draalde net lang genoeg tot je je lippen opende. Ik voelde hoe je mond zich in een blije Cheshiregrijns trok terwijl mijn tong zich zonder woorden bij je binnenbabbelde, gretig de jouwe krabbelde, ik ongeremd op jouw onderlip sabbelde. We kusten vurig, lang, we verbrandden de laatste restjes heks in een hoogoven van speeksel. Ik onderbrak het zoenen enkel voor twee korte blikken: mijn blik, hongerig, nietsziend dan het smakelijke Roodkapje, en jouw blik, onbevreesd, gastvrij zelfs, voor een donkere ruwe vacht en grote tanden, van harte Roodkapje.
Mijn klauw vond je knie en volgde een stimulerend slingerend pad naar Oz. Dat lieten je ravissante dijen graag gebeuren en tot mijn heugnis vond ik geen hinderlijke stof op mijn weg, noch enig spoor van haar: blijkbaar hadden de kaboutertjes goed gegraven. Ik ontblootte mijn hoektanden en beet in je nek om te verhinderen dat ik spontaan mijn snuit aan je monding zou laven: als semigeciviliseerd roofdier had ik meer geduld met die delicatesse dan met vulpennen. Mijn hand daarentegen schreef al hartstochtelijk haiku's onder je heupen.
"Fuck, ja"
De doemberg in Mordor had het niet rauwer kunnen raspen, en het geluid kwam niet van mij. Ik had je nek geproefd, je romig rollende dijen gevoeld, ik rook je opwinding en nu ook nog een auditieve stimulans? Je kunt het beest minder wild maken, maar nooit het wild uit het beest halen; alle instincten klierden klaarwakker. Dus ik wou je zien, nu. Helemaal zien, en begon dus verwoed op zoek naar knoopjes of ritsen. Als een volleerd dompteur verraste je me door je hoofd in mijn muil te duwen: je presenteerde me met een sexy daar-heb-je-niet-van-terug-smoel een grote, scherpe schaar.
"Knippen, wolf. Knip het kapot, scheur wat er nog resteert van mijn lijf".
Twee monstrueuze scheuren later lag je ontdaan van stof en alsnog een tikkeltje ontdaan op het bed. De schaar had ik niet nodig gehad, maar gebruikte ik graag als geïmproviseerde, geïncarneerde klauw. De dwergen, hoe ontzet ook, zouden straks wel een pleistertje vinden en de combinatie met mijn onverminderd jouw clitoris verwennende hand maakte jouw eigen weerstand eerder pro forma. Ik kreeg ook al gauw genoeg van het kwellen, en gooide me eindelijk likkend, zuigend, zoekend, zinderend op je kutje: ik groef gretig naar de erwt onder je matras bewees dat de prinses die met alle plezier voelt! Alle voorspel had je al danig nat gemaakt en ook mijn dam was gebroken: met tanden en tong en lippen en een vinger of drie racete ik je oogbollen naar achteren. Je schreeuw was Björk in Big Time Sensuality, en terecht.
"Genoeg?"
"... Als ik het goed voorheb, hebben we nog zo'n uurtje over"
Ik verliet de kamer uiteindelijk nog voor je terug hoofdpijn kreeg. Het was hemels en hels en ik heb er alles aan gedaan om helemaal bij je te zijn. Bij jou en niet...
Alle goedaardige dieren en zelfs een verdwaalde plant zullen een paar dagen later getreurd hebben. Het zal geregend hebben en er was niets dan goeds over je. De dwergen droegen zwart en er was vuur en uiteindelijk stenen en bloemen. Je werd net geen drieënzestig. Het was me een ongeëvenaarde eer.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten