Het valhek is toegetakeld, de ramen ingesmeten.
Kantelen gaan kantelen, 't vallen nabij. Wanneer de wanden wijken, past
Vast jullie puin perfect, als door elkaar voor de sloop gestut.
De regen ranselt pannen van het uitzichtloze dak,
En schimmel schildert kringen, wint terrein, wist alles wit.
De onbestapte trappen onstnappen de neergang evenmin,
In de kerker kermen resten mens van ach en wee en help
Ontboeiende roest komt nimmer vroeg, haast moedwillig stapvoets.
Verliefden op elkanders voor een ander wrakstuk vormen
Nog een opgedroogde slotgracht van vervaarlijk stram omarmen.
Ongedierte viert hoogtij, elk hengsel bengelt deksels
Jullie tongen nog steeds tango's op het vale laminaat
Is de balzaal vers geverfd of is het traag drogende liefde
Geen opmerkingen:
Een reactie posten